/1/116354/coverbig.jpg)
/0/3060/coverbig.jpg)
Chapter 2 No.2
Toen de slaapzieke Frans zoo onverwachts het gesprek der twee gelieven verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel niet meer herhaald, willende haar meer pijnen sparen; desniettemin scheen dit vaarwel aan den jongen beul onwederroepelijk, want hij had het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het zuiver en edelmoedig meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden.
Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van de Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het nog bemerkte, bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren dag, door hare bloedroode verf, het huis van den scherprechter aanduidde.
Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart:
"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?"
"Ja, hij gaat daareven weg.-Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen, dat hij u wacht."
Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke vader op een bed lag uitgestrekt.
De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende kwaal zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn hoofd had teruggetrokken.
Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets dan de beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan de ziel al hare krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het lichaam vergaat, het denkvermogen sterker wordt. Zóó was het ook met den ouden beul: ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo vrij als van een gezond mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij naar hem zijne blinkende oogen, doch sprak niet.
Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het hoofdeinde van het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om de magere hand van zijn vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij met bevende en dorre stem:
"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn vonnis?-Zal ik beul zijn?"
"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle pogingen uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats neme.-Geld noch gebeden kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn, mijn ongelukkige zoon."
De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis liep over zijn gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met struiptrekkende kracht. Die beweging was slechts oogenblikkelijk; hij verviel welhaast in zijne gewone droefgeestigheid en zuchtte:
"Het is dus morgen, morgen, vader,-dat de laatste hoop op geluk mij moet ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij terugspatten. Nu begint voor mij die schandelijke levensloop..... Betaalde moordenaar! Moordenaar!"
"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u tot een leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult afslaan, zal als een steen op uw hart terugvallen, en wanneer er steenen genoeg op uw hart zullen liggen, dan zult gij sterven gelijk ik nu sterf..... Maar er is hierboven een Rechter, die het lijden vergoedt."
Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders toe, zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort:
"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle dagen geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen onnoozele of eenen misdadige? En nochtans, indien zij zien konden, wat er op dit oogenblik in mijn hart omgaat, zij zouden mij niet haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in bloedvergieten; en wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens slachtoffers, bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul genoeg is en dat het medelijden hem verzwakt."
"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch nooit heb ik ze begrepen."
"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke verzameling van menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al de wreedheid, al de haat, die in de harten verborgen ligt, zich moge uitstorten-en dan wordt die lijder door de maatschappij met schande overladen, opdat men hem zonder berouw moge mishandelen en verachten; want het is door meer boosheid, dat de mensch zijne onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen enkel onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij de gedachte van menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat ik morgen waarlijk een verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal mij zelven verachten.-En geene hoop meer! Het moet zoo zijn."
"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende, "neem dit boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op de openliggende bladzijde."
Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij wierp het boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep: "Vervloekt zij de onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne geboorte tot bloedvergieten en tot schande veroordeeld heeft! O, maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne wieg geroepen: die vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen beul; men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene slang, welker gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij, terwijl men dit vonnis over mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader, gelooven zij dan, dat ik zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo onder het slijk der schande begraven te worden?"
"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader zuchtend. "Ik versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds zoolang aangekleefd; maar gedenk, dat de beul in eene gemeente volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het lot, u door den Heer bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter leven vinden."
"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die u ten grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede gij het hoofd van uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij de schrikkelijkheid van mijn lot niet; gij hebt den moed gehad om het uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader, ik gevoel mij zoo sterk niet. En toch, sterven is sterven: indien de dood ons morgen te gelijk treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel terugvinden."
De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in het hart van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit zijne woorden. Willende hem dan aandrijven om zich tot de rust te begeven, zeide hij:
"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog éénen raad geven.-Wanneer gij morgen op het schavot klimt, bezie dan toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven. Beeld u in, dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt, en neem de maat van uwen slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer niet in eens doodt, zullen duizende stemmen zich tegen u verheffen;-en ik zou u wellicht niet levend wederzien. Ik zal God terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het noodlottig werk te volbrengen.-Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over u."
Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou hij nog lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne vader eenen traan zich uit het oog veegde, en besloot zijne smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij meende te zeggen: "O, ik zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield hij zich uit liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering:
"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!"
In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel zitten en legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik naar de zijde van zijn bed, en zonder dit of iets anders te bezien, bleef hij met beweeglooze oogleden zitten.
Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam verlichten, vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke oogen op een bloot mes gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed rollen, alsof hij zich in het herblikkeren van het glimmend staal hadde verlustigd.
* * *
Chapter list
4 chapters total
/1/115403/coverbig.jpg)
/1/115063/coverbig.jpg)
/1/114165/coverbig.jpg)
/1/115745/coverbig.jpg)
/1/114104/coverbig.jpg)
/1/132929/coverbig.jpg)
/1/115053/coverbig.jpg)
/1/132893/coverbig.jpg)
/1/115049/coverbig.jpg)
/1/115052/coverbig.jpg)
/1/115046/coverbig.jpg)