Skip to main content

Chapter 3 No.3

Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzen Reinaert, hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van den omwerker?

Willems beweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de eerste regels van den proloog aldus aan:

Willem, die Madock maecte,

Daer hi dicke om waecte

Hem jamerde seer haerde

Dat die geeste van Reinaerde

Niet te recht en is gescreven:

Een deel is daer after gebleven:

Daeromme dede hi die vite soeken

Ende heeftse, uten walscen boeken

In duutse aldus begonnen.

Dan gaat hij voort: Willem heeft niet den oudsten Vlaamschen Reinaert opgesteld; maar wat hij ?in het oude gedicht niet te recht gescreven oordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik het aldus begonnen van dit laetste vers; doch om geheel de vite of levensbeschryving van Reinaert te doen kennen heeft hy datgene, hetwelk after gebleven was, door middel van walsche, dat is, door fransche boeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste boek.

?De nedersaksische vertaling van Reineke en de oude prosadrukken van Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs. 41 aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste Reinaert begon met vs. 11.

Nu keert hem daer toe mijn sin, enz.

?Hoe men dit dan ook beschouwe, het aldus begonnen van vs. 9 steekt altoos zeer sterk af tegen vs. 40:

Nu hoort hoe ic hier beginne;

want, zie daer een dubbel begin! Er is ook eene dubbele bedoeling. Willem verklaert zyne taek aentevangen om dat het hem zeer jammerde dat er nog zoo veel aen de historie van Reinaert ontbrak; terwyl de oorspronglyke dichter slechts daerom de avonturen van Reinaert MAEKTE, om dat zekere dame, die in groter hovescheden gerne hare saken keert, hem daer toe bad (vs. 26–31). Deze beweegreden alleen gaf hem de pen in de hand; anders had hy stil gezwegen (vs. 26).

?Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de handschriften der Brabantsche Yeesten staet er een van verschillenden inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum.

?Indien Willem het eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld, dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der vertaling van Heinrich der Glichsenaere, Hersant en niet Hersint of Erswinde heeten; dan zou de naem van den hond, Cortois, in de fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt er Roonel, Rooniax of Morout genoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling van het onderwerp (vs. 100, 1461–1463 enz.) niet zoo eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk in de fransche Renarts eenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen straks zien, dat de trouveres geen ouder fransch gedicht kennen, dan dat van PERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze bylagen bl. 302–341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene letterlyke vertaling van onzen Reinaert is.

?Beschouwt men daerentegen Willem voor den hermaker en vervolger van het gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk] vindt men, voor eerst, eene omdichting van het eerste boek,.... en, ten andere, een vervolg van dit oorspronglyk gedeelte, meest uit fransche po?ten of uit de Fabulae extravagantes samengeraept"(24).

Tegen die redenering is het een en ander in te brengen:

Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus:

Willem die vele bouke maecte,

Daer hi dicken omme waecte,

Hem vernoyde so haerde,

Dat die avonture van Reinaerde

In Dietsche onghemaket bleven,

Die Willem niet hevet vulscreven,

Dat hi die vijte van Reynaerde soucken

Ende hise naden Walschen boucken

In Dietsche dus hevet begonnen(25).

Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts in GR?TERS uitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is intusschen onverklaarbaar, dat GRIMM niet de minste poging heeft gedaan om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den omwerker in de plaats stelde. Willems schijnt zich hoofdzakelijk aan den tekst van GRIMM gehouden te hebben zonder altijd veel acht te slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, met GRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in Nederland geheel onbekend raakte.

Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen.

De grootste zwarigheid levert zeker vs. 6 op; maar juist hier is het niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven. Niet is in tegenspraak met al het overige; maar dat niet is juist bedorven. De varianten bij GRIMM doen zien, dat soms de r en t niet goed te onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven. Zoo las GR?TER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs. 993, voor dat felle dier (:lier), dat felle diet; 2372 (2396) voere in plaats van voete. Bedenkt men daarbij dat de n lichtelijk in sommige handschriften met de h kan verwisseld worden, dan zal het wel geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbe hier, in steê van dat onbegrijpelijke niet. En zoo kunnen wij, met geringe verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen:

Willem, die den Madoc(26) maecte,

Daer hi dicke omme waecte,

Hem vernoyede so haerde

Dat davonturen van Reinaerde

In Dietsce onghemaket bleven,

(Die hi hier hevet vulscreven),

Dat hi die vite [dede] soeken,

Ende hise na den walscen boeken

In Dietsce dus hevet begonnen.

Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin heet het niet, dat de historie niet te recht is geschreven, of dat er een deel van is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert (verg. vs. 31) waren in het geheel in het Dietsch ongemaakt: dit was hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het Dietsch overbracht.

De tusschenzin van vs. 6 moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het geheele gedicht door voorkomen, zie boven bl. XXIII. En juist daarin vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht treedt.

Het eerste gedeelte van WILLEMS' betoog vervalt door deze eenvoudige opmerking vanzelf(27).

Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo als WILLEMS zelf reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de eerste Reinaert met vs. 11 begon.

Steekt nu werkelijk vs. 9 zoo sterk af bij vs. 40,

Nu hoort hoe ic hier beghinne?

Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen uit eene dubbele bedoeling is te verklaren?

Maar men lette wel op, dat als men met vs. 11 den ouden tekst laat aanvangen, men daar terstond leest:

Nu keert hem daer toe mijn sin,

Dat ic bidde in dit begin, enz.

zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naar JAN VAN HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de eerste regels zijn boek aan MARGARETA van Engeland aanbiedt; dan heet het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs. 69)

En hadde gedaen van Ingelant

Vrouwe Margriete, alsic thant

Int beghin sprac overluut.

En dan wederom in het slot der inleiding, vs. 78:

Nu helpe my God, ic saels beginnen(28).

Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de ontleening? Grimm neemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als overtuigend bewijs aan(29), en ook wij behoeven er niet aan te twijfelen(30).

Want niemand zal wel met WILLEMS' betuiging tevreden zijn: ?De dichter van den Reinaert schynt.... een grand clerc, zoowel in het Fransch als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy sommige namen, als Cortois, Malpertuis, Malcrois en Pinte, uit eerstgenoemde tael ontleende"(31).

Ja maar, zegt men wellicht met WILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet de wolvin Hersant en niet, zoo als bij ons, Hersint!

Sedert WILLEMS schreef gelukte het GRIMM een groot fragment van den oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen(32), en daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem uitgegeven gedicht, Hersant, maar, even als in onzen Reinaert, Hersint, zie b.v. vs. 608, 627, 870, 877, enz.-ergo.

Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich begrijpen, als men weet, dat de Reinaert niet in allen deele strikt vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging, gelijk wij nader zullen aantoonen.

Alvorens WILLEMS' laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker kan zijn.

Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde. Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke verandering, zoo als WILLEMS zelf opmerkt(33). In den oudsten tekst namelijk verlaat Reinaert met de zijnen zijn kasteel, om zich in de wildernis te verbergen, vs. 3311 (3331):

Si daden hem alle up die vaert:

Ermeline ende here Reinaert,

Ende hare jonghe welpkine,

Dese anevaerden die woestine;

welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen.

Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger codex niet van eene omwerking wist.

Willems is natuurlijk van eene andere meening: hij stelt ?dat de afschryver van het codex Comburgensis den ouderen text van Reinaert kopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te leveren"(34).

Den grond voor die meening geeft hij aldus aan(35):

?De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds met vs. 3395 [ons 3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe personnagie, met name Firapeel, de luipaerd, die den koning tot het besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen:

Daerna sullen wi alle lopen

Na Reinaerde, ende sulne vangen,

Ende bi sine kele hangen;

een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglyke Reinaert met vs. 3394 sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs. 3395 eene groote versierde voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint. Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd, noch passend."

Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs. 3374 (3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men eerst bij vs. 3454 (3474) bereikt heeft.

Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij navolgde, verlaten had, en in den luipaard, ?des coninx maech" een geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in den Renart Le Nouvel, in MéONS vierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een epos.

En wat de groote aanvangsletter bij vs. 3375 (3395) betreft, die kon misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten, ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in het origineel 't welk hij voor zich had voorkwam, zoo als wij later zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs. 3454 zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter. En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe alinea, gelijk eene welwillende mededeeling van KAUSLER mij verzekert; zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in rook verdwijnt.

Dat het gedicht met vs. 3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zal GRIMM toestemmen, die juist wat WILLEMS als overgangsregels beschouwde, genoemd heeft ?den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel"(36).

Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, dat WILLEMS op eene andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den omwerker zegt hij(37): ?Hy noemt den leeuw Lioen, in plaets van Nobel."

Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking de leeuw slechts één enkel maal Lioen heet, vs. 3757:

Ist dat ic coninc heet Lioen;

maar integendeel vs. 3625 van WILLEMS' uitgaaf, evenzeer genoemd wordt Nobel die coninc. Maar juist in de verzen die WILLEMS als overgangsinlapsel beschouwt lezen wij:

Hi sprac: ?Here, coninc lioen, vs. 3378

Dit biet u die coninc lioen. vs. 3444

Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen van den oudsten schrijver vloeiden?

Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot twijfel; maar ziet, vs. 1837 lees ik dezelfde benaming:

Vort sprac Reinaert: ?Coninc lioen,

Wien twifelt des, ghine moghet doen?

Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen, gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het vijfde vers volgens de echte lezing.

Ik vertrouw dat de heer C. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering, mijn stelsel niet meer zoo ?onaennemelyk" zal vinden(38). Volgens hem pleit tegen mijne meening ?dat het moeijelyk te veronderstellen is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen eigenen verzwegen zou hebben." Ik antwoord: hoe moeyelijk ook te veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ook WILLEM heette, maar zich dan toch nooit den Madoc kon toe?igenen), zijn diefstal alleen bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nog ongemaakt kon heeten, blootelijk te veranderen in niet te recht geschreven.

Voorts zegt SERRURE, ?dat het niet zeer waerschynlyk is dat de oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven hebben."

Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt verwezen naar de inleiding van WILLEMS, bl. XXXVIII, die zich beroept op vs. 444 en 2953–2969. In het eerste vers heette het dat men begon te zingen

Dat placebo Domino;

en in de tweede plaats wordt eene spreuk van ?meester Jufroet" aangehaald (dien men gewoonlijk voor Godfredus Andagavendis houdt), waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis verwerven.

Met de aanwijzing der plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging van WILLEMS geleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien dat gevoelen te weêrspreken.

Maar ook al aangenomen dat de schrijver van den Reinaert een geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde van eene vrouw schreef, dan dat de pastoor HEIN VAN AKEN zich dit veroorloofde, die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald had(39)?

Zoo het verder bij SERRURE heet: ?zeker was zulk kundig en vernuftig dichter als de opsteller van het eerste boek des Reinaerts, niet in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te berymen," dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar ik noch bij SERRURE het betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en onbeduidend is, tenzij men met WILLEMS malsch vs. 19 vertale door week! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van den Floris stellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta van SERRURE tegenspreekt.

Zoo WILLEMS en die hem volgen dien proloog met alle geweld den omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent dat hij ?naden walscen boeken" gearbeid heeft. De waarheid heeft intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zoo WILLEM al walsche bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding daartoe in den vreemde gevonden was.

Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hij WILLEM geheeten was, en vroeger reeds den Madoc geschreven had; 2) dat hij naar fransche geschreven bronnen (walsce boeken) gewerkt heeft.

Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de fransche gedichten betreffende de dierensage.

* * *

That's everything available right now.

Keep reading to continue the story.

Continue reading

Chapter list

14 chapters total

  1. Chapter 1Chapter 1 CXLI
  2. Chapter 2Chapter 2 No.2
  3. Chapter 3Chapter 3 No.3

New releases