/1/132119/coverbig.jpg)
Chapter 2 No.2
In oude tijden lag aan de oevers van den Euphraat eene zeer merkwaardige, groote stad, Babylon genaamd. Deze stad is reeds lang van de aarde verdwenen, maar toch is er ons door oude schrijvers en geleerde mannen, die de opschriften van de bouwvallen met veel moeite hebben ontcijferd, zooveel verhaald, dat wij ons wel eenigszins kunnen voorstellen, hoe zij er vroeger moet uitgezien hebben, en hoe de bewoners leefden en werkten. Daarom willen we maar weer de stoute schoenen aantrekken, met onze gedachten een paar duizend jaar teruggaan en ons in Babylon verplaatsen.
We treffen in de omstreken dezer stad eenen vruchtbaren bodem aan; de rivier de Euphraat is hier even als de Nijl in Aegypte, de groote zegenaanbrenger. We staan dan ook verbaasd over de weelderige gewassen, de heerlijke granen, de prachtige palmbosschen. En dat de bewoners die vruchtbaarheid tot hun voordeel weten aan te wenden, bewijzen de met zorg bewerkte akkers, de zware dijken, de afwateringskanalen en sluizen.
Blijkt uit dit alles, dat de inwoners met vlijt den landbouw beoefenen; wij merken tevens, dat de handel hier tot een hoogen trap van bloei gestegen is.
Eene menigte groote en kleine rijkgeladene schepen zien we toch koers zetten naar de wereldstad, terwijl weder andere de voortbrengselen van de Babylonische nijverheid naar andere oorden vervoeren. Karavanen, die de schatten van 't verre Indi? met zich voeren, trekken voortdurend de wereldstad binnen. Maar 't wordt tijd, dat we de stad zelve eens nader bekijken. Al dadelijk valt ons haar ontzaggelijke omvang in het oog, een omvang, welke die onzer grootste steden verre overtreft.
De stad vormt een regelmatig vierkant, waarvan iedere zijde bijna 4 uren lang is.
Midden er door heen stroomt de Euphraat, waarover eene prachtige brug gebouwd is. Om de stad bevindt zich een muur van 140 meters hoogte en van zulk eene verbazende breedte, dat daarop twee vierspannen nevens elkander kunnen rijden. Tweehonderd en vijftig torens moeten dienen om dien muur te verdedigen, terwijl honderd poorten met metalen deuren van vijftig el hoogte toegang tot de stad verleenen.
't Is echter eene geheel andere stad, dan onze hedendaagsche steden. Voor en na worden de vrij regelmatige straten afgewisseld met weilanden, waar kudden grazen, met bouwlanden, waar koren groeit, zoodat men zich nu eens in de stad, dan weder op het veld verbeeldt te zijn.
Babylon wordt de stad der paleizen genoemd en te recht. De huizen zijn meest drie of vier verdiepingen hoog en ontzaggelijk ruim en uitgestrekt. Ze zijn meest opgetrokken van tichelsteenen, terwijl het verbindende cement uit asphalt bestaat. Bovendien zijn de muren met eene gipslaag bedekt, waarop eene menigte beelden en spijkerschrift zijn aangebracht.
Twee gebouwen vallen ons echter bijzonder in het oog: de reusachtige koninklijke burcht en de tempel van Bel met zijnen kolossalen toren.
Twee geweldige muren (de buitenste is meer dan twee uren in omtrek) omringen de trotsche burcht, waaraan niets gespaard is, wat rijkdom en kunst kunnen aanbrengen.
Tusschen de muren en het eigenlijke paleis heeft men prachtige tuinen aangelegd, die terrasvormig oploopen en daarom hangende tuinen genoemd worden.
Nog meer indruk maakt echter op ons de tempel van Bel (de god des lichts). Hij bestaat voornamelijk uit eenen zeszijdigen toren van 8 verdiepingen. Zijne hoogte bedraagt 200 el, terwijl ieder der zes zijden ook 200 el lang is. Dat is nog een andere toren, dan die te Straatsburg of te Utrecht, niet waar?
Maar niet alleen de hoogte des torens en zijne reusachtige afmetingen, ook de overvloed van gouden sieraden en beeldhouwwerken verwekt onze bewondering.
In wijde kringen slingert zich eene verbazende trap gelijk eene monsterslang naar de spits van den toren.
Hier en daar vindt men rustbanken, waardoor men in staat is, de reuzenstad in al hare uitgestrektheid te overzien.
Op de bovenste verdieping bevindt zich een groot bed, benevens eene gouden tafel. Op dat bed, zou volgens de priesters, eenmaal de god Bel komen slapen.
Er is hier dus wel wat bijzonders en moois te zien.
Gaan we echter eens het volk na in zijn doen en handelen, dan worden we niet zoo aangenaam aangedaan.
Slaafsche onderworpenheid van het volk ten opzichte van zijn' vorst, die als een god wordt vereerd. Groote zedeloosheid in alle standen; een godsdienst, die bestaat in de walgelijkste en wreedste plechtigheden; bijgeloovigheid in de hoogste mate. Ziedaar wat wij overal aantreffen.
Niet waar, we achten ons gelukkig in ons lieve vaderland en wenschen in geen Babylon te wonen, al is het er nog zoo mooi.
* * *
Chapter list
85 chapters total
/0/14631/coverbig.jpg)
/1/114961/coverbig.jpg)
/1/114114/coverbig.jpg)
/1/115367/coverbig.jpg)
/1/131487/coverbig.jpg)
/1/115423/coverbig.jpg)
/1/132929/coverbig.jpg)
/1/115053/coverbig.jpg)
/1/132893/coverbig.jpg)
/1/115049/coverbig.jpg)
/1/115052/coverbig.jpg)
/1/115046/coverbig.jpg)